MENU

675

Volkskroniek over hoe vrijheid 75 jaar geleden begon

Cities, Culture, Lifestyle, People, Travel

juni 16, 2020

Een collectief plakboek over Europa, het continent van de verpozing

Tijdens zijn gedwongen verblijf in Duitsland in de Tweede Wereldoorlog begon mijn vader, Wim van den Brink, met fotograferen. Hij is er zijn verdere leven mee doorgegaan. Hij fotografeerde tijdens de vele reizen door Europa die hij vanwege zijn werk maakte en tijdens de vakanties met zijn gezin. De beelden vormen een kroniek van het alledaagse leven in Europa vanaf 1943 tot aan zijn dood in 2007. Maar zijn ook onderdeel van een veel omvangrijker verborgen volkskroniek van het gewone leven door talloze amateurfotografen. Een collectief, vergeten plakboek want er moeten miljoenen van zulke bijna verloren beelden zijn weggeborgen in dozen en albums.

Op de laatste foto poseert hij ergens in Maastricht. Recht de camera inkijkend, staand met een hand in de zij en een voet op zijn reisvalies, eenentwintig jaar oud.

Op de laatste foto in de serie die mijn vader maakte tijdens zijn internering in Duitsland (1943-1945), is hij na de capitulatie op weg naar huis. Hier poseert hij ergens in Maastricht. Recht de camera inkijkend, staand met een hand in de zij en een voet op zijn reisvalies, eenentwintig jaar oud.

 

Telkens als ik nadenk over Europa, kijk ik weer terug in het schriftje van mijn vader dat ik als kind al af en toe tevoorschijn haalde vanachter de schuifdeurtjes op zolder. Daar lag het tussen oude boeken en paperassen, samen met een camera die hij had meegenomen uit Duitsland. Het is een gewoon schoolschrift met gelinieerde pagina’s maar het bevat enkele tientallen ingeplakte foto’s van ongeveer negen bij zeven bij centimeter gemaakt met die Zeiss Ikon balgcamera die in de jaren 1940 in Duitsland een heel gangbaar model was. De foto’s zijn klein maar behoorlijk scherp.

Mijn vader, tweede van rechts, op 22 april 1945  samen met zijn medebewoners temidden van zijn Russische bevrijders in Berlijn-Rahnsdorff.

Mijn vader, tweede van rechts, op 22 april 1945 samen met zijn medebewoners temidden van zijn Russische bevrijders in Berlijn-Rahnsdorff.

Ze vormen een reportage over de ruim twee jaar dat hij in Berlijn verbleef, vanaf het voorjaar 1943 – nadat hij kort na zijn achttiende verjaardag was opgepakt – tot en met zijn repatriëring na de capitulatie in juni 1945. Het was zijn eerste buitenlandse reis. De foto’s laten de plekken zien waar hij verbleef en de mensen waarmee hij optrok. Op sommige staat hij zelf, alleen of met anderen. Vermoedelijk zijn die gemaakt met de zelfontspanner. Op de laatste foto poseert hij ergens in Maastricht. Recht de camera inkijkend, staand met een hand in de zij en een voet op zijn reisvalies, eenentwintig jaar oud.

 

San Marcoplein, Venetie, 1962.

San Marcoplein, Venetie, 1962.

In 1988 ging ik met hem en het schriftje terug naar Berlijn. Hij was toen even oud als ik nu: begin zestig. Hij vond het een godswonder dat hij de oorlog had overleefd als je bedenkt hoeveel dood en verderf er tijdens die oorlogsjaren om hem heen was gezaaid. Door de geallieerde bombardementen en vooral de laatste weken en dagen in de slag om Berlijn. Op een van de foto’s zie je mijn vader met Russische soldaten (‘onze bevrijders’, staat er onder) van wie er eentje een verband om zijn hoofd heeft. De overige foto’s ademen een alledaagse, bijna een vakantiesfeer. Veel tekst staat er niet in het schriftje. Mijn vader was geen schrijver. Hij was technicus, scheikundige.

 

Noorwegen, 1961.

Noorwegen, 1961.

Maar hij praatte graag. Wij hadden een goede band dus praatten we veel met elkaar. Dat ging vaak over koetjes en kalfjes. Over hoe we tegen het leven aankeken. Soms over de dood van zijn eerste vrouw, mijn moeder. Dat was een verdriet dat hij nooit helemaal te boven is gekomen ook niet in het lange en gelukkige huwelijk dat erop volgde met een vriendin van mijn moeder, mijn tweede moeder.

 

Salzburg, Oostenrijk, 1962

Salzburg, Oostenrijk, 1962

Zijn spraakzaamheid gaf mij de gelegenheid hem in Berlijn eens goed uit te horen over die twee oorlogsjaren. Toen bleek mij hoeveel hij niet had gefotografeerd en misschien ook niet had willen zien. De verwoesting, de doden. Hij was geen oorlogsfotograaf. Hij was een huis-tuin-en-keuken-fotograaf en nog een tamelijk middelmatige ook. Maar hij had geen last van artistieke pretenties. In geen van de dingen die hij deed trouwens was hij ooit pretentieus. Dat hij enkele aardige foto’s, dia’s en films heeft nagelaten komt doordat hij verzot was op apparaten en die te pas en te onpas gebruikte. Een apparaat in zijn buurt was voor hem nooit veilig. Knopjes zijn om aan te draaien, schroefjes draaide hij los zodat hij binnenin kon kijken. Als het stuk was, maakte hij het.

 

Stresa, bij Milaan, 1967.

Stresa, bij Milaan, 1967.

Wat hij wel fotografeerde in Berlijn was het veilige onderkomen dat hij, na te zijn weggebombardeerd uit een pension aan de Muskauerstrasse, vond bij een familie buiten de stad. En ook de laatste episode, het bivakkeren met een stel andere her en der in Europa geronselde Arbeitseingesetzden – dwangarbeiders – in een Ferienlager, een verlaten vakantiepark aan een meer. Daar konden ze zich levend en wel aan de oprukkende Russen overgeven. Zijn hospita had toen met alle andere Duitsers allang de benen genomen. Ze wilden in handen van Amerikanen vallen.

Milaan, 1967

Milaan, 1967

Deze vrouw bij wie hij enige tijd inwoonde noemt hij in een van de fotobijschriften ‘meine Pflegemutti’. Zij had zich over hem ontfermd. Mijn vader zag er niet bepaald arisch uit. Hij was klein en had een dichte bos pikzwart haar, donkerbruine ogen en een ietwat getinte huid. Hij had voor joods kunnen doorgaan. Aan moederszijde had hij inderdaad verre joodse voorouders. De familie was lang geleden rooms-katholiek geworden. Waarschijnlijk is een groot gedeelte van de mensheid wel enigszins joods als het gaat om verre afstamming. Zijn van contradicties vergeven rassenleer is een van de absurditeiten van het Nazisme.

 

In de Dolomieten, 1960

In de Dolomieten, 1960

Ik denk dat vanwege zijn jongensachtige voorkomen en door zijn blijmoedige natuur en oprechtheid, die hij zijn hele leven behield, dat daarom ook toen ver van huis in Duitsland, de juiste mensen zich over hem ontfermden: Die vrouw, maar ook zijn leidinggevende in de fabriek. Dat heeft hem geholpen de oorlog heelhuids door te komen: Niet alle Duitsers waren ‘rotmoffen’.

 

Hydepark, Londen, 1968

Hydepark, Londen, 1968

Na de oorlog ging mijn vader aan de slag bij de Mekog (Maatschappij voor Exploitatie van Kooks Oven Gassen) een onderdeel van Hoogovens in IJmuiden. Mekog maakte kunstmest en dat was essentieel voor de Wederopbouw: Europa leed vlak na de Tweede Wereldoorlog aan massale ondervoeding en het Gemeenschappelijke Landbouw Beleid was met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal een van de vroege pijlers onder de Europese samenwerking.

 

Op een van zijn vele vliegreizen binnen Europa, op weg naar Londen, 1968. Gefotografeerd door een meereizende collega.

Op een van zijn vele vliegreizen binnen Europa, op weg naar Londen, 1968. Gefotografeerd door een meereizende collega.

Kunstmestkorrels worden erg gemakkelijk vochtig en gaan dan klonteren. De mestkorrels zijn dan niet meer gelijkmatig over het land te verspreiden. Mijn vader specialiseerde zich in het ontwikkelen van vochtwerende en later waterdichte zakverpakkingen om de massale transportschade te voorkomen en van de machines die daarvoor nodig waren. Dat bracht hem al vroeg in de jaren zestig op zakenreis door Europa op bezoek bij allerlei bouwers van verpakkingsmachines: Italië, Finland, Groot-Brittannië, Duitsland, maar ook Hongarije en Tsjecho-Slowakije. Waar mogelijk maakte hij foto’s.

 

Venetie, 1962

Venetie, 1962

Mijn vader zaliger staat voor mij een beetje model voor de doorsnee-Europeaan die (in zijn geval) met een Kodak en later een Pentax kleinbeeldcamera vooral dia’s maakte op zijn reizen die een tijdsbeeld geven van de periode 1960-1990 – en eigenlijk ook 1943-1945. Dus liet hij ons als kleine kinderen al de Arc de Triomphe, de toren van Pisa en Piccadilly Circus zien. De mensen die hij ontmoette op zijn reizen kwamen ook naar Nederland, IJmuiden. Ze kwamen bij ons over de vloer, wederopbouwtechneuten uit de industrie: Britten, Italianen, Duitsers.

 

Berlijn Friedrichshagen, zomer 1944, hospita frau Ruethning, aan de Storitzseestrasse 13. 'Meine Pflegemutti'.

Berlijn Friedrichshagen, zomer 1944, hospita frau Ruethning, aan de Storitzseestrasse 13. ‘Meine Pflegemutti’.

Bij het opruimen en ordenen van zijn audiovisuele nalatenschap (zodra er homevideo was, had hij een ook een videocamera) realiseerde ik mij dat er op talloze zolders zo Europees audiovisueel erfgoed verborgen moet liggen, foto’s, dia’s, polaroids, achtmillimeter films, videobanden. Wat toegankelijk is gemaakt en is gecatalogiseerd dat zijn veel nieuwsfoto’s, reclamebeelden, films en televisiebeelden. Professioneel beeld. Amateurbeeld vindt slechts sporadisch een weg naar de openbaarheid, bijvoorbeeld via een rommelmarkt of antiquariaat.

 

Berlijn, Friedrichshagen, zomer 1944. Mijn vader naast frau Ruethning en haar zoon Wolfchen.

Berlijn, Friedrichshagen, zomer 1944. Mijn vader naast frau Ruethning en haar zoon Wolfchen.

Europese reisbestemmingen waren zeker tot de millenniumwisseling voor de meeste gewone mensen de maximale actieradius. Pas later in zijn carrière ging mijn vader ook wel eens naar Amerika en Azië. Massaal globe trottende backpackers, voor wie dat de gewoonste zaak van de wereld is, zijn een betrekkelijk recent verschijnsel: millennials.

Sinds 2000 is het aantal jonge back packers van over de hele wereld dat in Europa rondreist geëxplodeerd en daarmee de hoeveelheid ‘content’ die ze via hun devices uploaden.

 

Op de terugweg, mei 1945 in de buurt van Maagdenburg. Een groep Nederlanders - met driekleur.

Op de terugweg, mei 1945 in de buurt van Maagdenburg. Een groep Nederlanders – met driekleur.

Unter den Linden kruising Friedrichsstrasse, 1944.

Unter den Linden kruising Friedrichsstrasse, 1944.

Analoog amateurbeeld van voor die tijd blijft, zolang het niet is gedigitaliseerd, ingescand, grotendeels onzichtbaar en onvindbaar. Het toerisme van Europeanen binnen Europa kwam op vanaf de jaren 1950 door de bus en de trein en vanaf de jaren 1960 ook dankzij het vliegtuig en de gezinsauto. Op regenachtige herfstzondagmiddagen werd de vakantieoogst voorzien van tekstuitleg ingeplakt in albums: Foto’s afgewisseld met tickets, brochures, ansichtkaarten en andere memorabilia.

 

Europa is in de loop van de twintigste eeuw en zeker na de Tweede Wereldoorlog het continent van de verpozing geworden. Een grote bezienswaardigheid. De badplaatsen, kuuroorden, het reisje langs de Rijn, de riviera’s, de costa’s. De steden, musea, theaters, festivals.

 

Met de Amerikaanse legertruck op weg naar huis, Munchenberg Duitsland mei/juni 1945.

Met de Amerikaanse legertruck op weg naar huis, Munchenberg Duitsland mei/juni 1945.

Europa is ook het continent van de kleine burgerman met monsieur Hulot en mr. Bean als archetypische persiflages van onszelf. ‘Les Vacances de mr. Hulot’ (1953, Jacques Tati) is even tijdloos typisch Europees als Mr. Bean Goes on holiday (2007, Rowan Atkinson).

 

Mijn vader en moeder in 1975, vakantie Frankrijk (Correze)

Mijn vader en moeder in 1975, vakantie Frankrijk (Correze)

Die kleine man heeft zich decennia hemelmaal suf gefotografeerd en gefilmd en gaat daar tegenwoordig digitaal onverdroten mee door. En dat alles lijkt gedoemd tot vergetelheid. Tenzij we die beelden voorzien van een verhaal en ze opnemen in het grote Europese familiealbum, een collectief plakboek dat onze continentale volksziel blootlegt.

 

We nodigen iedereen uit eigen fotomomenten over Europa met The Soul of Europe te delen en dat te delen met je vrienden. En vraag die dat ook weer met hun vrienden te delen. En vergeet niet te zeggen dat ook die het weer moeten delen met hun vrienden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Read article

115

Hongarije 1983 – palacsinta als dessert

Zonder categorie

maart 26, 2021

In 1983 bestond het ‘ijzeren gordijn’ nog, maar er was al wel wat toerisme richting de Oostbloklanden.

Een medestudente vertelde over haar vakantie in Hongarije bij het Balatonmeer: er waren campings aan het water, het was er warm en zonnig in de zomer en alles was heel goedkoop. Meer hoefde ik niet te weten, ik wilde in de zomer naar Hongarije.  Mijn vriend en ik  gooiden onze kampeerspullen in de oude Fiat 127, waarin we in Nederland regelmatig werden aangehouden door de politie, en reden de 1400 km naar Hongarije. Van de reis herinner ik me niet veel meer, maar de grens met Hongarije des te beter. We hebben er een halve dag gestaan. Als je pech had, liet de douane je de hele auto uitpakken. Daar rekenden we al op, gezien onze ervaringen met de Nederlandse politie, maar nee, we mochten gewoon doorrijden.

De grens bij Sopron

Onderweg naar het Balatonmeer keken we wat verbaasd naar het landschap. We zagen zo weinig kleuren, hoe kon dat? Tot we ons realiseerden dat we de Westerse reclameborden misten. Geen schreeuwende teksten en felle kleuren, alleen stoffige wegen en een wat verdord landschap met hier en daar een dorpje.

We namen de eerste de beste camping die we tegenkwamen aan het Balatonmeer, want het was al laat. In het donker zetten we de tent op. De volgende morgen zagen we dat de camping heel vol was, en we geen enkele schaduw hadden. We hadden Oost-Duitse buren van onze leeftijd die ons onmiddellijk uitnodigden voor het avondeten, dus we bleven toch. Het was een diner van blikjes groenten en blikjes vlees, want de Oost-Duitsers mochten maar heel weinig vakantiegeld meenemen. Om zo lang mogelijk te kunnen blijven, hadden ze een hele lading blikken meegenomen. Vers eten was in de communistische landen ook schaarser dan in het Westen. Bij het Balatonmeer waren de supermarkten regelmatig leeg, maar je kon wel altijd gebakken vis en pannenkoekjes kopen bij de stalletjes langs het meer, en er waren ook wat restaurants voor de toeristen.

Camping bij Alsóörs

Het lukte ons een keer om vlees te kopen in de supermarkt. We namen meteen maar flink veel, voor een barbecue met onze buren. De rest van de camping keek verbaasd naar ons gedoe met houtskool, en een Tsjechische buurman was zo aardig om een gasbrandertje te brengen…Tja, leg dan maar eens uit waarom we ons vlees persé op houtskool wilden bakken. We hebben doorgezet, en hadden een hele gezellige avond met onze buren, met veel vlees en – heel bijzonder voor onze buren – cola, want dat was echt Westers. We praatten vooral over de verschillen tussen West en Oost. In Nederland waren we arme studenten,  maar vergeleken met onze buren hadden we veel geld, veel spullen (een eigen auto en een barbecue!) en vooral veel vrijheid.

Parlementsgebouw in Boedapest

Nu het recept voor Palacsinta, Hongaarse pannenkoeken gevuld met kwark, uit een kookboekje uit 1977 dat  ik na de vakantie kocht. De hoeveelheden zijn genoeg voor 4 personen. Je kunt het eten het als dessert, maar het is veel en machtig. Volgens de uitleg in het kookboek is dat ook de bedoeling. Hongaren aten in die tijd vaak een eenvoudig gerecht als hoofdmaaltijd, bijvoorbeeld dikke soep, goulash of een gebonden groentegerecht en vervolgens een voedzaam zoet meel- of rijstgerecht.

Voor de pannenkoeken: 2 eieren, 2 theelepels suiker, 250 gr. bloem, 400 ml melk, snuf zout, boter of olie om te bakken. Maak een glad beslag door de 2 eieren los te kloppen met de suiker en het zout en dan de bloem en melk er door te roeren. Ik begin altijd met ongeveer de helft van de melk, waardoor ik een dik beslag krijg waar ik makkelijk de klontjes uit kan roeren, en voeg dan de rest van de melk bij.

Voor de kwarkvulling:
350 gr magere kwark, 100 gr suiker, 1 groot ei, 1 eetlepel griesmeel, 50 gr. rozijnen, geraspte citroenschil van ongeveer de helft van een citroen.

Splits het ei en roer de suiker door de eierdooier. Klop het eiwit stijf. Vermeng alles behalve het  stijfgeklopte eiwit, en roer dan het eiwit erdoor.

Bak de pannenkoeken zo dun mogelijk en laat ze lichtbruin kleuren. Besmeer ze dun met de kwarkvulling en rol ze op. Leg ze vervolgens kruiselings in een ovenschaal en bak de pannenkoeken een kwartier op ongeveer 180 graden. Uit de oven heb ik er nog wat poedersuiker over gestrooid, maar dat stond niet in het recept.

Read article

101

Duizend bommen en castraten!

Zonder categorie

maart 25, 2021

(Uit: Doorbraak.be) ‘Duizend bommen en granaten’ is in de Kuifje-stripalbums de favoriete uitspraak van kapitein Haddock. Veel lawaai, maar een kindvriendelijke en geen godslasterlijke uiting. Een vorm van zelfcensuur, zeg maar.

In zijn boek Duizend bommen en castraten verwijst stripkenner Jan Smet* fijnzinnig naar die eerste vorm van censuur. Want ja, helaas, censuur is van alle tijden en van alle plaatsen. ‘Presidenten, pastoors, politici, politiemannen en puriteinen: allemaal blijken ze wel eens lange tenen te hebben, en proberen ze dingen te verbieden’, lezen we in de flaptekst van het boek. Het is dan boeiend om zien waar de fijngevoeligheden precies liggen. Wat mag er niet gezegd worden?

Preventief

Censuur

Veel aangehaalde censuur is zelfcensuur of preventieve censuur door de uitgever van de betreffende stripverhalen, schrijft onze striprecensent Lode Goukens. ‘Uitgeverijen zijn commerciële bedrijven en dus speelde zelfcensuur al lang voor de term “politieke correctheid” bekend raakte. Ook de doelgroep van vaak minderjarigen speelde en speelt uiteraard een rol.’

De boeiendste delen in het boek gaan volgens Goukens vooral over de beruchte Franse censuur die het beeld en zelfs de scenario’s van veel Belgische stripverhalen bij uitgeverij Dupuis of uitgeverij Lombard bepaalde. De sterkte zit in het overzichtelijke verhaal op basis van het rijke archief van de auteur.

Exhaustief

Jan Smet presenteert de lezer een heel uitputtend overzicht. Dit boek is niet bij elkaar gegoogled, aldus Goukens, ‘hier is een kenner en liefhebber aan het woord die zijn guilty pleasures soms ontbloot.’

krankzinnige Amerikaanse moraliserende auteurs met een irrationele haat jegens comics

‘Vooral het hoofdstuk over de invloed van krankzinnige Amerikaanse moraliserende auteurs met een irrationele haat jegens comics en hoe die hetzes ondanks de hemelsbrede verschillen tussen comics en stripverhalen ook bij ons gevolg kregen, zal vele lezers de ogen openen.’ Ook de analyse van de weekbladen Robbedoes en Kuifje loont zeker de moeite.

Promotie
Dit is een boek dat elke stripfanaat uiteraard dient in huis te halen: daarom is Duizend bommen en castraten  ons Boek van de Week. U vindt het in onze online boekhandel tegen een tijdelijke voordeelprijs van €40,00 en mét gratis verzending.

Opgelet: het verkoopsucces noopte de uitgever tot een 2de herdruk die slechts in beperkte oplage beschikbaar zal zijn vanaf 6 april 2021. Vooraf bestellen is dus aangewezen!

Bestel hier uw exemplaar tegen voordeelprijs en met gratis verzending

*Jan Smet (1945) legde als stichter en hoofdredacteur van CISO-magazine en Stripgids de fundamenten van de Vlaamse stripjournalistiek. Hij riep de Stripgidsprijs/Bronzen Adhemar en het Turnhoutse stripfestival in het leven. Daarnaast werkte hij mee aan Wordt vervolgd: Stripleksikon der Lage Landen en publiceerde o.a. Marc Sleen (met Fernand Auwera) en Vlaamse reuzen (met Toon Horsten).

Read article

347

Vrouwendag!

Zonder categorie

maart 8, 2021

Tenslotte was ook ‘Europa’ een vrouw, dus willen we internationale vrouwendag vandaag niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Vrouwen zijn de grootste achtergestelde ‘minderheid’; de helft van de wereldbevolking. Maar hun opmars is gelukkig onstuitbaar zeg ik als oudere (blanke!) man die wel de gelukkige echtgenoot is van een vrouw (hoewel ik ook het homohuwelijk toejuich) en de trotse vader van een dochter en sinds kort opa van een kleindochter. De eenentwintigste eeuw is de eeuw van de voltooiing van de vrouwenemancipatie – hoop ik – en in het kielzog daarvan andere minderheden. Maar er is nog een lange weg te gaan.

(Élisabeth Louise Vigée Le Brun (Frankrijk, 1755-1842)

Élisabeth Louise Vigée Le Brun, die volledig autodidact was, werd kunstenares ondanks grote obstakels (zoals voor elke vrouw aan het eind van de 18e eeuw in Parijs) en was actief tijdens enkele van de meest turbulente tijden in de Europese geschiedenis. Door tussenkomst van Marie Antoinette werd zij op 28-jarige leeftijd als een van de slechts vier vrouwelijke leden toegelaten tot de Franse Academie. Vigée Le Brun werd vooral geprezen voor haar sympathieke portretten van aristocratische vrouwen, die als natuurlijker werden beschouwd dan het werk van haar tijdgenoten. Gedwongen om Parijs te ontvluchten tijdens de Revolutie, reisde de kunstenares door heel Europa. Ze verwierf indrukwekkende opdrachten in Florence, Napels, Wenen, Sint-Petersburg en Berlijn, alvorens terug te keren naar Frankrijk na de beëindiging van het conflict.

Afgebeeld: Élisabeth Louise Vigée Le Brun, Zelfportret met strohoed (1782).

Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

Read article

203

Goulash uit Tsjechië

Uncategorized

maart 2, 2021

Door Karin van Dam

Rond 1995, toen mijn kinderen nog de basisschoolleeftijd hadden, gingen we in de zomer kamperen in Tsjechië. Dat was een echt avontuur. De camping was een oude boomgaard, ‘s avonds stookten de campinggasten vuurtjes om  worst te roosteren,  en zwemmen en duiken kon in een oude afgraving van de steenfabriek.

We gingen uit eten in de stadjes in de buurt, waar altijd wel goulash of schnitzel op de kaart stond. Het was allemaal stukken goedkoper dan in Nederland, en het was ook altijd veel.

Op een avond kregen de  kinderen hun bord niet leeg, tot verontwaardiging van de eigenaresse van het restaurantje. Wat ze zei verstonden we niet, maar het was wel duidelijk dat ze flink aan het mopperen was. Ze liep weg met hun borden en even later kwam ze terug met twee ingepakte halve schnitzels. Ze ging dat goede vlees toch echt niet weggooien! En gelijk had ze natuurlijk. In het Duits zei ze dat we 2x een halve portie moesten  bestellen voor de kinderen. O, kon dat? Dat deden we dus voortaan..

Nu het goulashrecept.

Er zijn honderdduizend goulash recepten, ik ga nu uit van de recepten die op site Ajvar.nl staan.   Die lijken mij ‘authentiek’. Onderstaande goulash maak ik nog steeds vaak als mijn dochter komt  eten. Met rundvlees, of met hamlappen als ik geen uren de tijd heb. 

Voor 4 personen:

 1 pond rundvlees (sukadelappen of riblappen) of 1 pond hamlappen

 1 el. zoet paprikapoeder

 1 – 2 tl. scherp paprikapoeder

3 uien

2 tenen knoflook

1 rode paprika 1 blokje runderbouillon

1 tl. karwij

een flinke snuf majoraan

1 flesje bier. Gewone pils is goed, bruin bier geeft een wat zoetere saus.

Snij het vlees in stukjes, bestrooi het met het peper, zout en wat bloem. Goed mengen en in een pan met hete olie snel rondom bruin bakken. Uit de pan halen en opzij zetten. Dan de uien en de rode paprika zachtjes bakken. Als de uien glazig zijn, haal je de pan van het vuur. Roer er de twee soorten paprikapoeder door, zet de pan weer terug en giet het bier erbij. Doe er ook de majoraan, de karwij en het bouillonblokje in. Zet het vuur hoog en wacht even tot het bier kookt; dan kan het vlees weer terug in de pan. Als dat allemaal weer begint te pruttelen kan het vuur op de laagste stand. Er mag een tomaatje bij of tomatenpuree, daar wordt het vlees sneller mals van. Laat de goulash rustig een uur of twee pruttelen met het deksel schuin op de pan. Doe er wat water bij als er te veel vocht verdampt. Je Tsjechische goulash is klaar als het vlees zacht is. De saus moet niet te dik zijn. Garneer de Tsjechische goulash met in ragfijne ringen gesneden rode ui. 

In Tsjechie krijg je er broodknoedels bij: ‘knedliky’. Ik vind ze heerlijk, maar het is me nog niet gelukt om een goeie versie te maken. Ik geef dus gewoon ‘Nederlandse’ aardappelpuree bij de goulash.

Read article